Valt woning van niet-failliete echtgenoot in het faillissement?
24-01-2012Ingevolge art. 63 Fw wordt het faillissement van de in enige gemeenschap gehuwde echtgenoot behandeld als het faillissement van die gemeenschap. Art. 61 lid 1 Fw kent aan de echtgenoot van de gefailleerde een recht toe van terugneming van alle goederen die hem toebehoren en niet in de huwelijksgemeenschap vallen. Dit recht van terugneming is echter aan stringente bewijsvoorschriften verbonden. Art. 61 lid 4 Fw bepaalt dat het recht van terugneming slechts kan worden uitgeoefend wanneer de echtgenoot van de gefailleerde (1) bewijst dat hij eigenaar is van het desbetreffende goed en (2) dat hij het goed met eigen middelen heeft gefinancierd. Dit laatste dient door middel van bescheiden aangetoond te worden, zo bepaalt lid 4. Dat betekent dus dat uitsluitend schriftelijk bewijs mag worden geleverd; ander bewijs is niet toegestaan.
In de literatuur en de rechtspraak wordt vrijwel unaniem aangenomen dat de werking van art. 61 lid 4 Fw niet beperkt is tot echtgenoten die in gemeenschap van goederen zijn gehuwd. Dat betekent dat ook een echtgenoot die onder het maken van huwelijkse voorwaarden is getrouwd, het risico loopt dat zijn/haar vermogen in het faillissement valt, tenzij kan worden bewezen dat de afzonderlijke vermogensbestanddelen met eigen middelen zijn gefinancierd. In de literatuur en de rechtspraak werd gestreden over de vraag of de echtgenoot van de gefailleerde moet aantonen dat het goed dat hij/zij uit de faillissementsboedel wil terugnemen volledig dan wel voor meer dan de helft met eigen middelen is gefinancierd. Zo moest hof Arnhem, 28 juni 2011, LJN BR2618, nog in 2011 over deze vraag oordelen.
De wetgever heeft aan deze discussie inmiddels een einde gemaakt. De Wet aanpassing wettelijke gemeenschap van goederen (Kamerstukken II 28.867, in werking getreden op 1 januari 2012) heeft art. 61 lid 4 Fw aangepast. Nu wordt in art. 61 lid 4 Fw expliciet verwezen naar de zaaksvervangingsleer van art. 1:95 lid 1 BW (meer dan 50%).
Tot slot merkt de wenk onder voornoemde uitspraak van het hof Arnhem op dat art. 61 lid 4 Fw geen goederenrechtelijke werking heeft. Dat betekent dat de echtgenoot van de gefailleerde eigenaar blijft van al zijn goederen, ook al kan hij niet aan de vereisten van art. 61 lid 4 Fw voldoen. De curator mag die goederen slechts uitwinnen ten behoeve van de schuldeisers van de echtgenoot-gefailleerde. De echtgenoot van de gefailleerde verkrijgt vervolgens een concurrente vordering op de failliet. In de meeste gevallen zal dat echter een schrale troost zijn. De andere echtgenoot is immers niet zonder reden failliet.
RFR, 11, 2011, p. 584 e.v. (MK)
« Terug naar overzicht nieuws



