Sdu uitgeversSdu LinkedInScherp in Notariaat twitterRSS Feed Contact Home

Nieuws

Art. 10 (oud) SW geldt niet voor ‘ik-opa-vordering’ bij overlijden van langstlevende echtgenoot (II)

23-01-2012

Schoenmaker bespreekt de conclusie van A-G IJzerman betreffende de toepassing van art. 10 SW op de ik-opa-vordering van een kleinkind.
In casu had opa in zijn testament bepaald dat zijn zoon (M) zijn erfdeel ontving onder de last een bedrag schuldig te erkennen aan zijn drie kinderen (de kleinkinderen). Dit bedrag was pas opeisbaar bij het overlijden van M en zijn echtgenote V, met wie hij in gemeenschap van goederen was gehuwd. In casu overleed eerst M en daarna V. In geschil was of bij het overlijden van V art. 10 SW van toepassing was op de (helft van de) vordering van het kleinkind. Het hof oordeelde dat dit het geval was. Het feit dat M en V in gemeenschap van goederen waren gehuwd, had in casu tot gevolg gehad dat V geacht moest worden ‘partij’ te zijn geweest bij de rechtshandeling waarbij de ik-opa-vordering was ontstaan (Notafax 2010, nr. 222). Het hof leidde dit onder meer af uit de wettelijke regeling over de bestuursbevoegdheid betreffende de gemeenschap van goederen. Hieruit volgde dat als de ene echtgenoot bevoegdelijk beschikt over gemeenschapsvermogen door bedragen schuldig te erkennen, hij dit mede doet namens de andere echtgenoot.
A-G IJzerman is – anders dan het hof – van mening dat de wetsfictie van art. 10 SW bij het overlijden van V niet van toepassing is. Volgens hem wordt juist niet voldaan aan het ‘partij-vereiste’. M heeft in casu zelfstandig de erfenis van zijn vader (opa) aanvaard, inclusief de lastbevoordeling van zijn kinderen. Zijn echtgenote V is hierbij geen partij geweest. Hier doet niet aan af dat zij in economisch opzicht wel belang had bij de verkrijging door haar echtgenoot. De wetgever heeft volgens de A-G met ‘partij’ slechts bedoeld degene die een erfstelling heeft aanvaard. Uit de wetsgeschiedenis blijkt niet dat hieronder ook wordt begrepen de in gemeenschap van goederen gehuwde echtgenoot van degene die heeft aanvaard. De A-G adviseert de Hoge Raad het cassatieberoep van de (klein)kinderen gegrond te verklaren.
Schoenmaker is het met de conclusie van de A-G eens. In het berechte geval heeft alleen M een rechtshandeling verricht. M heeft de nalatenschap van opa aanvaard. De (klein)kinderen verkregen hierbij van rechtswege een vorderingsrecht op hun vader (vgl. HR 27 maart 1914, NJ 1914/622). Dat M was gehuwd in gemeenschap van goederen betekent civielrechtelijk nog niet dat V hier dan ook ‘partij’ bij is geworden. Het gaat de A-G terecht een brug te ver om, bij gebreke van parlementaire geschiedenis op dit punt, toch aan te nemen dat V in fiscale zin wel partij is geworden bij de rechtshandeling die haar man had verricht.
Schoenmaker wijst erop dat per 1 januari 2010 de fictiebepaling van art. 10 SW ook van toepassing is bij het overlijden van de langstlevende echtgenoot. De tekst van art. 10 SW is in de herziene Successiewet namelijk uitgebreid. Het moet voortaan gaan om een rechtshandeling ’waarbij de erflater of diens echtgenoot partij was’. Niettemin is Schoenmaker van mening dat in de praktijk effectief niet altijd erfbelasting zal zijn verschuldigd bij een ik-opa-testament. De fictiebepaling van art. 10 SW is namelijk niet van toepassing als de omvang van de vordering die de kleinkinderen door het testament op hun ouder krijgen, lager is dan de waarde die de ouder in volle eigendom heeft geërfd (vgl. art. 10 lid 9 SW). De ratio hiervan is dat in een dergelijke situatie géén sprake is van uitholling van de heffingsgrondslag voor de erfbelasting. Schoenmaker wijst erop dat volgens de staatssecretaris van Financiën de uitzondering van art. 10 lid 9 SW niet geldt bij een ik-opa-testament met een lastbevoordeling. Volgens de staatssecretaris geldt deze uitzondering slechts indien opa een bedrag aan het kleinkind heeft gelegateerd dat opeisbaar is bij het overlijden van het kind van opa. Schoenmaker heeft forse kritiek op deze visie (zie tevens ND 2010.10.3001). Hij wijst er allereerst op dat de lastbevoordeling civielrechtelijk in de meeste gevallen als legaat ten gunste van de kleinkinderen moet worden beschouwd (Kamerstukken II 1962-1963, 3771, nr. 6, p. 77). Verder is art. 10 lid 9 SW ingevoerd middels het amendement Cramer (Kamerstukken II 31930, nr. 68). Dit amendement is gebaseerd op kritiek van de KNB op de reikwijdte van de fictie van art. 10 SW. Uit de toelichting op het amendement en de brieven van de KNB blijkt dat art. 10 lid 9 SW juist is ingevoerd om alle problemen met ik-opa-testamenten weg te nemen. De strekking van het amendement is de fictie alleen van toepassing te laten zijn in situaties dat de nalatenschap bij het overlijden van het kind van opa zou worden ‘uitgehold’ door de ik-opa-clausule. Indien de schuldigerkenning aan het kind niet méér bedraagt dan de ouder zelf van opa heeft geërfd, is hiervan geen sprake (zie tevens ND 2010.52.3006).

Conclusie A-G IJzerman, 4 november 2011, CPG 10/04493, NTFR2011/2844 (JB)



« Terug naar overzicht nieuws

Winkelwagen icon_cart

Gratis nieuwsbrief

Laat uw gegevens achter als u de gratis ScherpinNotariaat e-nieuwsbrief wilt ontvangen met het laatste nieuws.


Volg ons op

Scherp in Notariaat Linkedin
Scherp in Notariaat
 
Scherp in Notariaat Twitter
 

Voor Nu en Later

Uitgave rondom erven, schenken en nalaten
Editie 2012

Image2  













Poll

Als er een voorziening komt waarbij het mogelijk is om notarieel geschoold en ervaren juridisch personeel op tijdelijke basis in te lenen dan zou ik daar gebruik van maken.
Nooit 29%
1 - 5 keer p/j 40%
6 - 10 keer p/j 12%
> 10 keer p/j 16%