WFR themanummer juni 2010: De belastingheffing van ondernemers
17-08-2010De voorstellen van de commissie-Van Weeghel (Studiecommissie Belastingstelsel) bestrijken een enorme variëteit aan onderwerpen. In deze bijdrage ligt de nadruk op de belastingheffing van ondernemers, een kernaspect van het fiscale beleid, daar waar het de heffing van inkomsten- en vennootschapsbelasting betreft. Voor ondernemers is daarbij een wezenlijk vraagstuk, of en zo ja op welke wijze, rechtsvormneutraliteit in de belastingheffing kan worden bereikt.
De commissie merkt terecht op dat in het huidige belastingstelsel geen sprake is van rechtsvormneutraliteit ongeacht de hoogte van de winst. Beneden een bepaald omslagpunt is het zelfstandig ondernemerschap fiscaal aantrekkelijker. Daarboven wordt het ondernemerschap veelal door middel van een bv gestimuleerd. De commissie stelt met juistheid dat het omslagpunt afhankelijk is van verschillende factoren, zoals de hoogte van het (gebruikelijke) loon, alsmede de mate waarin de door de bv gemaakte winst wordt ingehouden dan wel uitgedeeld. Hoe hoger het gebruikelijk loon en hoe meer winst wordt uitgekeerd, hoe aantrekkelijker toch weer het zelfstandig ondernemerschap wordt. Koppel daaraan het verschil in belastingheffing tussen arbeidsinkomen (inclusief het (gebruikelijk) loon van de da) versus winst uit onderneming en de daaraan gekoppelde ondernemersfaciliteiten, dan wordt duidelijk dat van een rechtsvormneutrale belastingheffing geen sprake is.
De commissie stelt geen invoering van een rechtsvormneutrale ondernemingswinstbelasting voor, ook al is daar door de fiscale wetenschap bij herhaling op aangedrongen. Zij stelt dat een dergelijke belasting afwijkt van de juridische realiteit en dat daarvoor een complex stelsel nodig zou zijn dat bovendien in de internationale setting tot ongewenste effecten zal leiden. Indien Nederland eenzijdig een dergelijk stelsel zou invoeren, dan kan dit leiden tot dubbele heffing van winstbelasting of juist in het geheel geen belastingheffing. De auteur vindt het teleurstellend dat de commissie geen diepgravend onderzoek naar een ondernemingswinstbelasting heeft ingesteld. Daardoor ontstaat wat betreft de auteur ook een beeld dat de commissie, door een sterke vertegenwoordiging van de ambtelijke top van het Ministerie van Financiën, geen grote stap voorwaarts heeft willen en kunnen nemen, doch heel sterk bij het fiscaal bestaande heeft aangesloten.
In plaats van een rechtsvormneutrale ondernemingswinstbelasting stelt de commissie voor om een stelsel te ontwikkelen dat fiscale neutraliteit betracht ten aanzien van juridische vormen van beloning. Ten aanzien van de belastingheffing in de winstsfeer hanteert de commissie drie uitgangspunten.
1. Kapitaalinkomen dient lager belast te worden dan arbeidsinkomen.
2. Het ondernemerschap zal gerichter gestimuleerd moeten worden dan nu het geval is, waarbij met name het arbeidsbestanddeel evenwichtiger moet worden belast.
3. Binnen het huidige stelsel dient sprake te zijn van meer evenwicht in de fiscale behandeling van de dga en de IB-ondernemer.
De commissie stelt terecht dat er discussie mogelijk is over de vraag of ondernemerschap, nadat rekening is gehouden met het kapitaalinkomen, zou moeten worden gestimuleerd door middel van met name generieke fiscale faciliteiten. Bijvoorbeeld de zelfstandigenaftrek in zijn huidige vorm stimuleert de keuze voor het ondernemerschap ten opzichte van loondienst sterker aan de onderkant van de inkomensverdeling dan aan de bovenkant. De zelfstandigenaftrek werkt daarbij averechts, doordat deze een sterke progressie veroorzaakt en daardoor de groeiprikkel niet bevordert. Daarom pleit de commissie voor een afschaffing van de zelfstandigenaftrek en het daarmee vrijvallende budget geheel of gedeeltelijk in te zetten voor de invoering van een vermogensaftrek.
Vervolgens wordt ingegaan op de voorstellen ten aanzien van starters, innovatieve en snelgroeiende ondernemers. Het beoogde evenwicht tussen de IB-ondernemer en de dga kan volgens de commissie worden bereikt door, in combinatie met de invoering van een vermogensaftrek en afschaffing van de zelfstandigenaftrek, de effectieve tarieven zo te stellen dat het kapitaalinkomen, het arbeidsinkomen en de overwinst bij de IB-ondernemer en de dga per saldo ongeveer even hoog worden belast.
De commissie pleit vervolgens voor afschaffing van de fiscale oudedagsreserve voor ondernemers (inclusief pensioenopbouw in eigen beheer bij de bv).
De auteur kan zich ondanks de op zichzelf goede bedoelingen die aan het rapport van de commissie ten grondslag liggen, weinig waardering voor het rapport opbrengen. De auteur kan de commissie volgen in het voorstel om de fiscale oudedagsreserve af te schaffen, de FOR-stamrechtvrijstelling bij staking dient echter wel te blijven bestaan. Volledige afschaffing van de pensioenopbouw in eigen beheer gaat mij te ver, wel kan de opbouw wat mij betreft aan stringentere voorwaarden worden gebonden.
G.T.K. Meussen, Weekblad Fiscaal Recht, 6862, 10 juni 2010 (SH)
« Terug naar overzicht nieuws



