Verrekenvordering afhankelijk van wie echtscheidingsverzoek heeft ingediend
27-07-2010Na een huwelijk van twee jaar scheiden M en V van echt. De Rechtbank heeft onder meer geoordeeld dat M
€ 500.000 aan V moet betalen omdat in de huwelijkse voorwaarden is bepaald dat M dit bedrag aan V moet vergoeden als de echtscheiding door M is aangevraagd, hetgeen in casu het geval is. M is het niet eens met deze beslissing. Volgens M was het de bedoeling van deze regeling dat M alleen € 500.000 aan V zou uitkeren indien M het huwelijk tegen de zin van V zou beëindigen. M stelt dat hiervan geen sprake was omdat V de echtelijke woning heeft verlaten. Volgens M heeft V jegens derden aangegeven dat zij er alles aan zou doen om toch de in de huwelijkse voorwaarden genoemde € 500.000 te ontvangen en om die reden zelf geen echtscheidingsverzoek zou indienen. Hierdoor is M uiteindelijk gedwongen een echtscheidingsverzoek in te dienen. Volgens M is de Rechtbank voorbij gegaan aan een brief van de notaris die de huwelijkse voorwaarden had opgesteld.
Volgens het Hof heeft M verklaard dat de notaris op voorstel van M het formele criterium ‘diegene die de echtscheiding aanvraagt’ heeft opgenomen in de huwelijkse voorwaarden. Verder heeft M gesteld dat hij ten tijde van het opstellen van de huwelijkse voorwaarden er niet bij stil heeft gestaan dat degene die vertrok niet degene behoefde te zijn die de echtscheiding zou aanvragen. Gezien deze verklaring houdt de stelling van M geen stand dat het destijds de bedoeling was om overeen te komen dat M alleen € 500.000 aan V zou betalen indien M tegen de zin van V het huwelijk zou beëindigen. Het Hof is van oordeel dat V ten tijde van de totstandkoming niet behoefde te begrijpen dat M zich de reikwijdte van de bepaling niet volledig realiseerde dan wel dat hij iets anders bedoelde dan hetgeen op schrift is gesteld. V heeft tevens onweersproken verklaard dat de notaris haar niet heeft geattendeerd op een van de formulering van de huwelijkse voorwaarde afwijkende betekenis. Het Hof ziet dan ook geen aanleiding om af te wijken van de formulering van de bepaling. Volgens het Hof is de regeling niet in strijd met de openbare orde en/of de goede zeden als bedoeld in artikel 1:121 BW. De verwijzing van M naar de uitspraak van de Rechtbank Utrecht 2 december 2009, Notafax 2009, nr 287 snijdt geen hout omdat in die zaak sprake was van een beding in de huwelijkse voorwaarden waarbij de schuldvraag ten aanzien van de echtscheiding het uitgangspunt vormde, hetgeen de Rechtbank niet in overeenstemming achtte met het wettelijk stelsel dat uitgaat van een gelijke en onafhankelijke rechtspositie. In casu is echter een formeel criterium opgenomen en is niet van belang wie schuld heeft.
Hof Den Bosch 8 juli 2010, nr HV 200.050.930/01 en HV 200.050.932/01 (LJN BN1236)
« Terug naar overzicht nieuws



