Twee uitspraken over de gerechtigdheid tot het saldo van een ‘en/of-rekening’
27-07-2010Casus 1: X en Y zijn samen gerechtigd tot de nalatenschap van hun broer die is overleden. X en Y twisten over de vraag in hoeverre de gelden op twee bankrekeningen behoren tot de nalatenschap. Deze bankrekeningen stonden op naam van de erflater en/of X. Volgens X behoren de banksaldi slechts voor de helft tot de nalatenschap omdat X tot de andere helft was gerechtigd. Weliswaar was de broer oorspronkelijk de enige houder van de rekeningen, maar hij heeft vóór zijn overlijden de helft van de banksaldi aan X overgedragen. X wijst op een formulier “Wijziging rekeninghouder” van de bank waarbij voor beide rekeningen de broer als rekeninghouder wordt gewijzigd in de broer en/of X. Dit formulier bevat onder meer een verklaring van de rekeninghouders dat creditsaldi aan hen worden overgedragen.
Volgens het Hof geldt als uitgangspunt dat de tenaamstelling van een bankrekening slechts van belang is voor de relatie tussen de tenaamgestelde(n) en de bank. Als een bankrekening op naam van twee personen is gesteld, geeft deze tenaamstelling nog geen uitsluitsel over de rechten en plichten van de tenaamgestelden onderling met betrekking tot het saldo van de bankrekening. Voor de vraag of X gerechtigd is tot de helft van de saldi van de op naam van erflater en hemzelf gestelde bankrekeningen komt het aan op de bedoeling van de betrokken partijen (HR 9 februari 2007, Notafax 2007, nr 46). Uit het door X overgelegde formulier is die bedoeling niet af te leiden; dit betreft immers alleen de verhouding tussen de bank en de (nieuwe) rekeninghouders en zegt niets over de onderlinge relatie tussen de rekeninghouders. X heeft zijn stelling dat erflater daarmee de saldi (mede) aan hem heeft overgedragen verder niet onderbouwd, zodat zijn betoog moet worden verworpen.
Hof Den Bosch 6 juli 2010, nr HD 200.011.625 (LJN BN1351)
Casus 2: Tot haar overlijden had erflaatster drie ‘en/of-rekeningen’ met haar schoonzus (Z). Het saldo op de bankrekeningen is afkomstig van erflaatster. Z stelt dat zij krachtens een mondeling verblijvingsbeding thans als enige gerechtigd is tot het saldo van de rekeningen.
De kantonrechter oordeelt dat een ‘en/of-rekening’ moet worden gezien als een vorm van passieve hoofdelijkheid zijdens de bank en dat dit alleen maar inhoudt dat de bank bevrijdend kan betalen aan ieder van de beide rekeninghouders. De regeling met de bank zegt echter niets over de rechten op het banksaldo. Het saldo blijft toekomen aan degene die het op de rekening heeft gestort. Nu het erflaatster was die de gelden heeft gestort, behoort het saldo op de rekeningen in beginsel tot de nalatenschap. Volgens de kantonrechter kan het beroep van Z op het verblijvensbeding niet anders worden gezien dan als een beroep op een quasi-legaat in de zin van artikel 4:126 BW: een schenking of gift die pas na het overlijden van de schenker wordt uitgevoerd. De schenking ter zake des doods is geregeld in artikel 7:177 BW. Hierin is bepaald dat een schenking welke de strekking heeft dat zij pas na het overlijden van de schenker zal worden uitgevoerd, vervalt bij het overlijden van de schenker, tenzij de schenking reeds tijdens het leven van de schenker is uitgevoerd of indien de schenking door de schenker persoonlijk en bij notariële akte is aangegaan. Noch van het een noch van het ander is sprake. Het betoog van Z wordt verworpen.
Rb. Amsterdam sector kanton 15 juli 2010, nr 1150106 CV 10-15944 (LJN BN1997)
« Terug naar overzicht nieuws



