Verschil in verantwoordingsplicht bij testamentair en wettelijk vruchtgebruik
20-07-2010X is als erfgenaam gerechtigd tot de nalatenschap van haar vader. Bij testament had vader aan zijn tweede echtgenote (V) het vruchtgebruik van de gehele nalatenschap gelegateerd onder vrijstelling van de verplichting tot het stellen van zekerheid. Verder is V benoemd tot executeur. X is een procedure gestart opdat V bepaalde informatie aan haar verstrekt.
De kantonrechter overweegt onder meer het volgende. Op grond van artikel 4:148 BW kan X jegens V er aanspraak op maken voorzien te worden van alle informatie die zij nodig heeft om te kunnen vaststellen wat de waarde is van de nalatenschap. X hoeft niet zonder meergenoegen te nemen met de inmiddels opgemaakte boedelbeschrijving, ook al bevat die alle wettelijk vereiste elementen. Genoemde wetsbepaling impliceert het recht voor X omzich van de inhoudelijke juistheid van die boedelbeschrijving te overtuigen aan de hand van alle inlichtingen die daarvoor nodig zijn. Ook waar het gaat om de uitoefening van de beheerstaak heeft X recht op informatie. Uit hetgeen X heeft aangevoerd is echter duidelijk dat haar vordering tot informatieverstrekking niet tot doel heeft de correcte uitvoering van de beheerstaak te controleren maar bedoeld is om zekerheid te verkrijgen dat de nalatenschap en daarmee haar deel niet door V wordt opgemaakt. In feite wil X voorkomen dat het aan V toekomende vruchtgebruik feitelijk verbruikt wordt. In dit kader is afdeling 4.3.2 BW van belang. Krachtens testament komt aan V het vruchtgebruik toe van de gehele nalatenschap.Daarnaast kan haar ingevolge artikel 4:29 BW het recht van vruchtgebruik toekomen op de inboedel (een eigen woning is in casu niet aanwezig). Een recht van vruchtgebruik op de overige goederen van de nalatenschap zou V behalve op grond van het testament ook op grond van artikel 4:30 BW kunnen toekomen, indien haar verzorgingsbehoefte daartoe zou nopen. Deze wettelijke regeling gaat als vangnetregeling voor de langstlevende partner vóór boven hetgeen bij testament is bepaald. Voor het recht van vruchtgebruik maakt dat geen verschil, wel echter voor de daaraan verbonden verantwoordingsplicht. Waar het gaat om vruchtgebruik ingevolge de wet is die verantwoordingsplicht beperkt op grond van artikel 4:31 BW jo. artikel 4:23 BW. De mogelijkheid om aanspraak te maken op een vruchtgebruik gebaseerd op artikel 4:29 BW vervalt indien de echtgenoot dat niet binnen zes maandenna het overlijden van de erflater heeft gedaan. Voor de aan artikel 4:30 BW te ontlenen aanspraak geldt een vervaltermijn van een jaar na het overlijden van de erflater. Niet is gebleken dat V binnen deze termijnen aanspraak heeft gemaakt op de vestiging van hetwettelijk vruchtgebruik. Dat betekent dat het recht van vruchtgebruik van V uitsluitend is gebaseerd op het testament zodat voor haar onverkort de verplichtingen gelden die de wet daaraan verbindt (titel 3.8 BW). Nu V bij testament is vrijgesteld van de verplichting om zekerheid te stellen, is met name van belang de verplichting om jaarlijks aan X aan te tonen dat de goederen waarop het vruchtgebruik rust, in het bijzonder de gelden en banktegoeden, nog aanwezig zijn (artikel 3:206 lid 2 BW). In geval het recht op vruchtgebruik uitsluitend wordt ontleend aan het testament mogen de goederen ingevolge artikel 3:207 BW worden gebruikt én verbruikt. Dat laatste slaat op goederen die aan bederf of slijtage onderhevig zijn zoals eetwaren, kleding en meubilair, maar anders dan V kennelijk meent, niet op geld.
(Rb. Zwolle sector kanton 11 mei 2010, nr 472806 CV EXPL 09-6246 (LJN BM6006))
« Terug naar overzicht nieuws



