Nieuw besluit over waarderingen bij schenk- en erfbelasting
05-07-2010De staatssecretaris van Financiën heeft een besluit geactualiseerd betreffende diverse waarderingen voor de schenk- en erfbelasting. In het besluit wordt onder meer ingegaan op waardering van overbedelingsschulden bij een OBV-testament. Een niet-opeisbare onderbedelingsvordering met een relatief lage enkelvoudige rente, moet worden gewaardeerd op de nominale waarde verminderd met de waarde van het fictieve vruchtgebruik. Voor het bepalen van de waarde van het fictieve vruchtgebruik moet allereerst de enkelvoudige rente worden omgerekend naar een samengestelde rente. De waarde van het vruchtgebruik wordt vervolgens bepaald volgens de algemene regels die gelden voor de waardering van een vruchtgebruik (art. 21 lid 13 SW jo. art. 5 e.v. UBSW). Voor de omrekening van enkelvoudige rente naar samengestelde rente kunnen twee sterftetabellen worden toegepast, namelijk de overlevingstafels van het CBS of de zogenaamde verlengde sterftetafels (GBM/GBV) van het Actuarieel Genootschap. De tabellen van het Actuarieel Genootschap betreffen steeds een periode van vijf jaar, terwijl die van het CBS jaarlijks verschijnen. Bezien vanuit een strikte wetstoepassing moeten volgens het besluit de CBS-tabellen gehanteerd worden. Deze tabellen sluiten immers het beste aan bij het jaar van overlijden. Echter, op grond van praktische overwegingen wordt goedgekeurd dat beide sterftetabellen worden gehanteerd. Hierbij geldt de voorwaarde dat voor de aangifte voor de erfbelasting de op dat moment meest recente versie van de gekozen tabel wordt gehanteerd.
Bij een OBV komt het voor dat de langstlevende echtgenoot de bevoegdheid heeft te kiezen voor een afwijkende verdeling (de tenzij-clausule). Soms heeft de afwijkende verdeling alleen betrekking op een gedeelte van de nalatenschap (de gedeeltelijke tenzij-clausule). Deze zogenoemde voorwaardelijke OBV kan worden gevolgd als de echtgenoten en kinderen samen afwijken. Zolang de nalatenschap wordt verdeeld binnen de door de erflater in zijn testament aangegeven bevoegdheden is in deze situaties art. 30 SW niet van toepassing.
In het besluit wordt ook ingegaan op de waardering van vruchtgebruik met interingsbevoegdheid. Een schenker kan zich bij een schenking bijvoorbeeld het vruchtgebruik met interingsbevoegdheid voorbehouden (art. 3:215 van het BW). De waarde van een dergelijke verkrijging moet voor de schenkbelasting worden bepaald volgens de algemene regels die gelden voor de waardering van een vruchtgebruik. Bij de waardering wordt geen rekening gehouden met de interingsbevoegdheid. De staatssecretaris geeft aan dat verzoeken om toepassing van de hardheidsclausule afgewezen zullen worden.
Ministerie van Financiën 10 juni 2010, nr. DGB2010/778M, V-N 2010/28.24 (JB)
« Terug naar overzicht nieuws



