Betaling op grond van meerwaardeclausule niet aftrekbaar bij voortzetter
21-06-2010Z heeft met zijn vader een maatschap (melkveebedrijf). In 1991 neemt Z het maatschapsaandeel van zijn vader over. Hierbij is een beroep gedaan op de doorschuifregeling (thans artikel 3.63 Wet IB 2001). In 2002 verkoopt Z het melkquotum aan een derde. Op grond van de meerwaardeclausule die Z in 1991 met zijn vader was overeengekomen, is hij verplicht om ruim € 187.000 aan zijn broers te betalen. In geschil is of Z dit bedrag kan aftrekken van zijn IB-winst. De Hoge Raad beslist dat deze niet aftrekbaar is van de winst. Een redelijke uitleg van de geruisloze doorschuiffaciliteit brengt mee dat Z bij de verkoop in 2002 moet afrekenen over de eerder doorgeschoven overdrachtswinst van zijn vader. De betaling op grond van de meerwaardeclausule heeft in casu volledig betrekking op de waardeaangroei van het quotum bij zijn vader. Indien Z de betaling wél in aftrek op zijn winst zou mogen brengen, zou in feite de doorgeschoven overdrachtswinst van zijn vader niet worden belast.
De redactie van V-N wijst erop dat de beslissing van de Hoge Raad in lijn is van eerdere jurisprudentie over de meerwaardeclausule (vgl. HR 9 april 2004, Notafax 2004, nr. 112). Uit die jurisprudentie volgt dat de waardeaangroei van het melkquotum die vóór de geruisloze overdracht is ontstaan, niet aftrekbaar is. Deze waardeaangroei is immers toe te rekenen aan de (doorgeschoven) stakingswinst van de overdrager. De redactie wijst erop dat nabetaling wél aftrekbaar zou zijn geweest wanneer deze betrekking zou hebben gehad op de waardeaangroei van het melkquotum die ná de overdracht was ontstaan.
HR 19 maart 2010, nr. 09/02014, V-N 2010/15.17 (JB)
« Terug naar overzicht nieuws



