Wetsvoorstel wijzigt BTW-heffing over privégebruik bij onroerende zaken
15-06-2010De minister van Financiën heeft een wetsvoorstel gepubliceerd dat de BTW-heffing over het privégebruik van onroerende zaken (dus niet roerende zaken) per 1 januari 2011 wijzigt. Met dit wetsvoorstel wordt de Technische Herzieningsrichtlijn van de EU geïmplementeerd.
Thans heeft een ondernemer de keuze investeringsgoederen die zowel voor bedrijfs- als voor privédoeleinden worden gebruikt voor de BTW volledig tot zijn bedrijfsvermogen te bestemmen. In dat geval komt de in rekening gebrachte BTW in beginsel voor algehele en onmiddellijke aftrek in aanmerking. Het privégebruik van deze goederen wordt vervolgens belast krachtens artikel 4.2.a Wet OB (bij onroerend goed gedurende de eerste 10 jaar).
Het wetsvoorstel maakt een einde aan deze systematiek. Voorgesteld wordt om artikel 15 Wet OB zodanig aan te vullen dat de in rekening gebrachte omzetbelasting over de uitgaven in verband met een tot het bedrijfsvermogen behorende onroerende zaak (zoals aanschaffings-, onderhouds-, en renovatiekosten) slechts aftrekbaar is naar evenredigheid van het gebruik van de zaak voor BTW-belaste prestaties. Hier staat tegenover dat in de toekomst niet ex artikel 4.2.a Wet OB omzetbelasting wordt geheven over het privégebruik. Wel kan door wijziging in het privégebruik de BTW-aftrek gedurende 10 jaar worden herzien. Deze herziening geldt zowel voor op- als neerwaartse wijzigingen in het privégebruik.
Stel dat een BTW-ondernemer een nieuwe onroerende zaak met € 100.000 omzetbelasting heeft aangeschaft en deze onroerende zaak voor 80% gaat gebruiken voor BTW-belaste prestaties en voor 20% voor privédoeleinden. Indien de onroerende zaak volledig tot het ondernemingsvermogen wordt gerekend, kan de ondernemer € 80.000 onmiddellijk als voorbelasting in aftrek brengen. Aldus is 20% wegens privégebruik van aftrek uitgesloten. Als het privégebruik vervolgens wijzigt, wordt de in aftrek gebrachte belasting herzien. Stel dat het privégebruik in jaar 2 wordt uitgebreid naar 50%. Dan moet de omzetbelasting die aan dat jaar kan worden toegerekend (€ 100.000 / 10 jaar = € 10.000), worden herzien. De herziening over jaar 2 bedraagt dan 30% (50% -/- 20%) van € 10.000 = € 3.000.
Opgemerkt wordt dat voor andere uitgaven in verband met de onroerende zaak die ook privé wordt gebruikt (bijvoorbeeld onderhoudswerkzaamheden zoals schilder- en timmerwerk), geldt dat de correctie van de BTW-aftrek alleen geschiedt bij de ‘ingebruikneming’ en aan het einde van het betreffende boekjaar. Is in dat jaar bij ‘ingebruikneming’ de verhouding tussen privé en zakelijk bijvoorbeeld 30% en 70%, dan vindt aftrek van de in rekening gebrachte belasting op dat moment plaats naar rato van deze verhouding. Vervolgens wordt aan het einde van dat jaar de aftrek eventueel gecorrigeerd op basis van de verhouding tussen privé en zakelijk gebruik tijdens dat jaar. In latere jaren wordt de BTW niet meer herzien.
Het voorgaande geldt niet als het investeringsgoed tot het privévermogen wordt gerekend. In dat geval is de BTW niet aftrekbaar. Hiertegenover staat dat het privégebruik niet met BTW is belast. Als een tot het privévermogen behorende zaak later toch nog geheel of gedeeltelijk zakelijk wordt gebruikt, komt de in rekening gebrachte BTW niet alsnog in aftrek.
« Terug naar overzicht nieuws



