Herstel van fout in notariële akte op grond van ongerechtvaardigde verrijking
31-05-2010In 1983 zijn ten gunste van de percelen van X c.s. erfdienstbaarheden van weg gevestigd ten laste van het perceel van Y c.s. Op basis van de Reconstructiewet Midden-Delfland hebben in het betreffende gebied ingrijpende zakenrechtelijke wijzigingen plaatsgevonden. In het op basis van de Reconstructiewet opgemaakte plan van toedeling en de akte van toedeling zijn door een fout in de boekhouding van het Kadaster de erfdienstbaarheden niet opgenomen waardoor de erfdienstbaarheden zijn vervallen. Naar aanleiding hiervan zijn X c.s. een procedure gestart waarin onder meer wordt gevorderd dat Y c.s. worden veroordeeld om medewerking te verlenen aan het vestigen van nieuwe erfdienstbaarheden met dezelfde inhoud als in de akte van 1983. De Rechtbank heeft deze vordering afgewezen. Volgens de Rechtbank handelen Y c.s. niet onrechtmatig door zich te beroepen op de akte.
In hoger beroep overweegt het Hof onder meer het volgende. Voor zover X c.s. betogen dat de oorspronkelijke erfdienstbaarheden zijn blijven bestaan, wordt de grief verworpen. Gelet op het systeem van de Reconstructiewet betekent het feit dat de erfdienstbaarheden niet in de akte van toedeling zijn opgenomen, dat deze zijn vervallen. Anders dan Y c.s. suggereren is er geen aanwijzing dat het de bedoeling was van de Reconstructiecommissie dat de erfdienstbaarheden bij de reconstructie van het betreffende gebied zouden vervallen. Gelet op de overgelegde brieven van de Reconstructiecommissie en het Kadaster acht het Hof komen vast te staan dat het vervallen van deze erfdienstbaarheden is veroorzaakt door een fout bij het Kadaster en/of de Reconstructiecommissie omdat kennelijk gebruik is gemaakt van de schaduwboekhouding van het Kadaster zonder dat is gecontroleerd of deze in overeenstemming was met het openbare register. X c.s. hebben gesteld dat Y c.s. onterecht een voordeel genieten doordat hun perceel niet meer is belast met een erfdienstbaarheid terwijl bij X c.s. sprake is van een nadeel. Het Hof is van oordeel dat bij Y c.s. sprake is van een verrijking omdat hun perceel niet meer is bezwaard met de betreffende erfdienstbaarheden. Nu de percelen van X c.s. hun erfdienstbaarheden van weg moeten missen, levert dit ontegenzeggelijk een verarming op aan de zijde van X c.s. Verder staat vast dat de verrijking van Y c.s. heeft plaatsgevonden ten koste (en in de mate) van het vermogen van X c.s. zodat het verband tussen beide is gegeven. Voor genoemde verrijking en verarming is geen rechtvaardiging aan te wijzen. Sterker nog, voldoende is komen vast te staan dat hierbij sprake is van een fout van overheidswege die onbedoeld tot het verval van de oorspronkelijke erfdienstbaarheid heeft geleid. Onder deze omstandigheden dienen Y c.s. de hierdoor ontstane schade van X c.s. op grond van artikel 6:212 BW te vergoeden voor zover dit redelijk is. Deze schadevergoeding kan ook in natura geschieden. Hetgeen X c.s. hebben gevorderd sluit hierbij naadloos aan. Het Hof acht deze vorm van schadevergoeding ook redelijk omdat hiermee de oorspronkelijke zonder rechtvaardiging veranderde situatie wordt hersteld. Dit betekent dat de vordering van X c.s. wordt toegewezen. Het Hof veroordeelt Y c.s. om hun medewerking te verlenen aan het opnieuw vestigen van het recht van erfdienstbaarheid op dezelfde wijze als verwoord in de akte van 1983.
Hof Den Haag 18 mei 2010, nr 200.025.969/01 (LJN BM5236)
« Terug naar overzicht nieuws



