Bedrijfsoverdracht zelfstandige onderneming vereenvoudigd?
28-05-2010Auteur buigt zich over de vraag of de bedrijfsopvolgingsregeling met name voor agrarische bedrijven per 1 januari 2010 is vereenvoudigd. Tot 1 januari 2010 vormden de langlopende schulden op het bedrijf een probleem. In artikel 35b, tweede lid, onderdeel a, SW 1956 (oud) werd gesproken over ‘de bestanddelen van het vermogen van een onderneming’. Bij familietransacties werden de langlopende schulden veelal als onderdeel van de te betalen overnamesom beschouwd. Het discussiepunt was steeds of in het rekenmodel voor de voortzettingswaarde rekening werd gehouden met het contant maken van de langlopende schulden.
Hof Arnhem (3 juni 2009, nr. 07/00309, NFTR 2009/1872, LJN BI7470) was van mening dat, als men een beroep doet op het rekenmodel van de besluiten van 12 februari 2004 (nr. CPP2003/3061M0) en 22 februari 2004 (nr. CPP2004/322), het rekenmodel niet kan aanvullen met gegevens welke uitdrukkelijk buiten het model zijn gehouden. De rechter nam zo het standpunt in dat de voortzettingswaarde niet mag worden verminderd met de (contante waarde van) langlopende verplichtingen. Daarnaast gaf de rechter aan dat een belanghebbende niet verplicht is het rekenmodel toe te passen en ook op een andere wijze de voortzettingswaarde mag berekenen.
Uit de beslissing van de Hoge Raad (20 maart 2009, nr. 43.393, NTFR 2009/716, LJN BF1029) bleek dat het hof ten onrechte het waarderingsvoorschrift van artikel 21 SW 1956 had gebruikt voor de beantwoording van de vraag of er sprake was van een schenking bij bedrijfsoverdrachten waarbij in de maatschapsakte was overeengekomen en bepaald dat bij overdracht een zodanige waarde dient te worden gehanteerd dat een nog juist lonende exploitatie mogelijk was. In het algemeen zal het een nakomen van een verplichting betreffen en niet een bedoeling tot bevoordeling.
In artikel 11 SW 1956 is sinds 1 januari 2010 een fictie opgenomen dat geacht wordt krachtens schenking te zijn verkregen, indien het aandeel van een persoon in goederen ten gevolge van een vennootschapsovereenkomst bij leven van de overdrager verblijft of kan worden toegedeeld aan, hetzij kan worden overgenomen door de deelgenoten. Hiermee is HR 20 maart 2009 niet meer van toepassing. Op verzoek krijgt de overnemende ondernemer nu een voorwaardelijke vrijstelling in plaats van een conserverende aanslag. Het verzoek om een voorwaardelijke vrijstelling moet tezamen met de aangifte worden gedaan (artikel 35b, lid 7, SW 1956). De voortzetter moet voldoen aan een voortzettingseis van ten minste vijf jaren. Bij niet voldoen wordt de vrijstelling (naar rato) ingetrokken en wordt er direct een aanslag opgelegd. De hoogte van de voorwaardelijke vrijstelling is afhankelijk van de omvang van de totale waarde van het ondernemingsvermogen van de objectieve onderneming waarop de verkrijging betrekking heeft. Hierbij doelt men op de bezittingen en de schulden.
Ook in het nieuwe rekenmodel blijft de positie van de langlopende schulden een probleem. Bij het vaststellen van de liquidatiewaarde moet worden uitgegaan van het saldo van de waarde van bezittingen minus de daarop rustende (langlopende) schulden. Echter, in het rekenmodel voor de voortzettingswaarde zijn de langlopende schulden niet verwerkt, waardoor er verschillende uitkomsten zijn voor bedrijven met en zonder schulden. Daarnaast is er sprake van vreemde uitkomsten ingeval de overdrager alleen de activa overdraagt en zelf de langlopende schulden aflost en het geval waarin de overnemer ook de langlopende schulden als onderdeel van de overnamesom mee overneemt. Het probleem van de langlopende schulden is dus nog niet opgelost.
P.H.M. Ceelen, Belastingbrief, nr. 1 januari/februari 2010, p. 29 ( FGW)
« Terug naar overzicht nieuws



