Analogische wetstoepassing van artikel 4:52 BW
26-04-2010Volgens art. 4:52 BW vervalt de beschikking die een erflater heeft gemaakt ten behoeve van degene met wie hij ten tijde van het maken van de beschikking was gehuwd door een daarna ingetreden echtscheiding of scheiding van tafel en bed. Als uit de uiterste wil het tegendeel is af te leiden, vervalt de making niet. De auteur onderzoekt de vraag of het bepaalde in art. 4:52 in aanmerking komt voor analogische toepassing in andere gevallen waarbij is vermaakt aan een persoon met een bepaalde hoedanigheid en die hoedanigheid voor het openvallen van de nalatenschap wordt verloren. Ook wordt de overgangsrechtelijke kwestie aan de orde gesteld of het bepaalde in art. 4:52 analogisch zou kunnen worden toegepast op beschikkingen die onder het oude recht zijn gemaakt door een erflater die onder nieuw erfrecht is overleden.
Aan de hand van geciteerde wetsgeschiedenis toont de auteur aan dat voor de niet rechtstreeks door art. 52 bestreken gevallen analogische toepassing van de bepaling niet in aanmerking komt. Evenmin komt toepassing aan de orde in het hiervoor overgangsrechtelijk bedoelde geval. Hiervoor kan worden aangevoerd dat ten tijde van het redigeren van de beschikking er geen bepaling als art. 52 gold, zodat daarmee geen rekening kon worden gehouden.
Volgens de auteur moet nu bij de redactie van een beschikking op voorhand rekening worden gehouden met het bepaalde in art. 4:52, op gelijke wijze als rekening wordt gehouden met een bepaling als art. 4:48 over aanwas.
W. Breemhaar, Tijdschrift Erfrecht 2010/afl. 2, p. 27 (KdL)
« Terug naar overzicht nieuws



