Sdu uitgeversSdu LinkedInScherp in Notariaat twitterRSS Feed Contact Home

Nieuws


Een drietal nieuwe rentebepalingen in de Successiewet 1956

12-04-2010

Besproken worden de nieuwe renteregeling van art. 1 leden 3 en 4 en de nieuwe bepalingen van art. 9 en 15 Successiewet (Sw). Vooraf wordt de situatie besproken die ontstond na HR 11 juli 1989 BNB 1989/260: als de langstlevende over de onderbedelingsvorderingen van de kinderen een lagere rente vergoedt dan 6% samengesteld, is sprake van fictief vruchtgebruik van de langstlevende op de vordering. Teneinde na overlijden van de eerststervende invloed te kunnen uitoefenen op de grootte van de successierechtelijke verkrijgingen en daardoor op de verschuldigde successiebelasting, werd in het OBV testament meestal een “tenzij clausule” opgenomen, waardoor de erfgenamen de mogelijkheid kregen om in onderling overleg van het door de erflater voorgeschreven rentepercentage af te wijken. Vanaf 2003 werd een soortgelijk resultaat bereikt door art. 4:1 lid 4 BW. De oude wetgeving was echter niet duidelijk.

In het nieuwe art. 1 lid 3 Sw wordt nu – volgens de auteur - duidelijk aangegeven wanneer een renteafspraak tussen de langstlevende en de kinderen als een erfrechtelijke verkrijging moet worden aangemerkt. De erfgenamen moeten hetzij op basis van het testament, hetzij op basis van het bepaalde van art. 4:13 lid 4 bevoegd zijn een van het testament afwijkende renteafspraak te maken. Vorderingen en schulden die zijn ontstaan als gevolg van een de wettelijke verdeling, een obv of een legaat tegen inbreng van de waarde, worden in dit kader op dezelfde manier behandeld. Tweede eis is dat de renteafspraak moet zijn gemaakt binnen de aangiftetermijn van art. 45 Sw. Als aan deze voorwaarden is voldaan wordt, zowel bij overlijden van de eerststervende als bij het overlijden van de langstlevende gerekend met de door de erfgenamen overeengekomen rente. Als niet is voldaan aan de eisen zoals hiervoor bedoeld, wordt bij het eerste overlijden voor de erfbelasting geen rekening gehouden met de renteovereenkomst. Daarnaast wordt de renteovereenkomst aangemerkt als een fictieve schenking. Verder kan het zijn dat bij overlijden van de langstlevende een deel van de opgelopen rente wordt aangemerkt als een fictieve verkrijging in de zin van art. 10 Sw.

Het bepaalde in het oude art. 9 Sw is overgebracht naar de nieuwe art. 7, 8 en 11 Sw. Het nieuwe art. 9 regelt nu de zogenaamde “bovenmatige rente”, een poging om door een hoge rente op onderbedelingsvorderingen de nalatenschap van de langstlevende uit te hollen. Van een bovenmatige rente is sprake indien en voor zover de rente meer bedraagt dan 6% samengesteld; deze bepaling werkt ook op enkelvoudige rente die herrekend naar samengestelde rente op het moment van overlijden van de langstlevende meer bedraagt dan 6%. Hiervan kan sprake zijn als de langstlevende eerder komt te overlijden dan zijn toegemeten statistische levensverwachting.

Ten slotte wordt de renteloze direct opeisbare lening in het kader van het nieuwe art. 15 Sw besproken. Tot 2010 werd op grond van de jurisprudentie het voordeel van te laag bedongen rente niet gezien als een schenking, als de lening direct opeisbaar was. Het nieuwe art. 15 bepaalt nu dat het voordeel van de te laag bedongen rente over een direct opeisbare lening (in beginsel korter dan één jaar) wel met schenkingsbelasting is belast bij een geldlening die minder dan 6% rente draagt. Als de lening niet direct opeisbaar is, geldt de eis dat de rente marktconform moet zijn, wil er geen sprake zijn van een gift.

T.N. Peters van Neijenhof, WPNR 2010/6837 p. 253 (KdL)



« Terug naar overzicht nieuws
vorige   1 2 3 4 ... 31   volgende

Gratis nieuwsbrief

Laat uw gegevens achter als u de gratis ScherpinNotariaat e-nieuwsbrief wilt ontvangen met het laatste nieuws.



Volg ons op

Scherp in Notariaat Linkedin
Scherp in Notariaat
 
Scherp in Notariaat Twitter
 

Voor Nu en Later

Uitgave rondom erven, schenken en nalaten
Editie 2012

Image2  













Poll

Als er een voorziening komt waarbij het mogelijk is om notarieel geschoold en ervaren juridisch personeel op tijdelijke basis in te lenen dan zou ik daar gebruik van maken.
Nooit 28%
1 - 5 keer p/j 44%
6 - 10 keer p/j 11%
> 10 keer p/j 15%