Doorschuifregeling geldt niet bij schenking van aandelen in dochter-BV
07-04-2010Per 1 januari 2010 is een doorschuiffaciliteit voor het schenken van a.b.-aandelen geïntroduceerd (zie tevens FBN 2009, nr. 67). Op verzoek wordt geen vervreemding voor de a.b.-regeling in aanmerking genomen (art. 4.17c Wet IB 2001). Voor toepassing van deze regeling is wel vereist dat de begiftigde op het moment van schenking reeds 36 maanden in dienstbetrekking staat tot de BV waarvan de aandelen worden geschonken (art. 26c URIB 2001). De doorschuiffaciliteit geldt in beginsel niet voor het beleggingsvermogen in de BV waarvan de aandelen worden geschonken. Net als bij de doorschuiffaciliteit bij overlijden kan de doorschuiffaciliteit worden toegepast voor het ondernemingsvermogen en het beleggingsvermogen tot maximaal 5% van het ondernemingsvermogen. Voor de situatie dat bij de BV sprake is van zowel ondernemingsvermogen als beleggingsvermogen, is het mogelijk om voorafgaand aan de schenking, een juridische splitsing (zogenoemde afsplitsing; zie art. 14a Vpb jo. 4.41 Wet IB 2001) toe te passen. Hierdoor ontstaat een BV met ondernemingsvermogen en een BV met louter beleggingsvermogen. Door vervolgens alleen de aandelen van de ‘actieve’ BV te schenken kan wel volledig gebruik worden gemaakt van de doorschuiffaciliteit.
De auteur wijst erop dat de doorschuiffaciliteit ook kan worden toegepast indien bij de bedrijfsopvolging de aandelen in de holding worden geschonken. Stel A bezit alle aandelen in een holding. Deze BV houdt alle aandelen in een (actieve) werk-BV. Hoewel de holding zelf niet actief een onderneming drijft, wordt geconsolideerd gezien toch een onderneming gedreven (art. 4.17a lid 5 Wet IB 2001). Als evenwel niet de aandelen in de holding worden geschonken, maar de holding de aandelen in de werk-BV tegen een lagere prijs overdraagt, is de situatie complexer. In dat geval kan de holding voor de vennootschapsbelasting gebruik maken van de deelnemingsvrijstelling. Echter, tegelijkertijd wordt bij de aandeelhouder van de holding een ‘verkapte’ dividenduitkering geconstateerd. Dit wordt bij de aandeelhouder voor de a.b.-regeling in beginsel belast als een ‘regulier’ voordeel. De nieuwe doorschuiffaciliteit is hierop dus niet van toepassing. Wel kan op verzoek gebruik gemaakt worden van een renteloze betalingsfaciliteit (art. 25 lid 11 Invorderingswet). Op grond hiervan mag de a.b.-heffing over de verkapte dividenduitkering in tien gelijke jaarlijkse termijnen worden voldaan. Hierbij is wel als voorwaarde gesteld dat ten minste 5% van de aandelen in de BV wordt overgedragen. Verder mogen de bezittingen van de BV voor maximaal 30% uit beleggingen bestaan. De auteur wijst erop dat in deze situatie eventueel ook kan worden gekozen voor de juridische (af)splitsing.
T.C. Hoogwout, FTV 2010/12 (JB)
« Terug naar overzicht nieuws



