Let op renteafspraken buiten de aangiftetermijn
16-03-2010Martens gaat in op de gevolgen van een in het testament opgenomen renteclausule. Wanneer de erfgenamen binnen de aangiftetermijn de rente op de overbedelingsschuld vaststellen, wordt hiermee voor de erfbelasting rekening gehouden (art. 1 lid 3 SW). Dit betekent dat in dat geval geen sprake kan zijn van een schenking van de ouder aan een kind/erfgenaam. Wordt de rente na de aangiftetermijn vastgesteld, dan is wél sprake van een belastbare schenking. De auteur wijst erop dat in dat geval bovendien bij overlijden van de overblijvende ouder art. 10 SW van toepassing kan zijn (zie tevens TK 31930, nr 9, blz. 39). Immers, de ouder behoudt in beginsel ‘het genot’ van de opgebouwde rente tot aan het overlijden. Artikel 10 SW is dan van toepassing op de ‘opgebouwde rente’ op het tijdstip van het overlijden van de langstlevende. Op de aldus verschuldigde erfbelasting mag de eerder geheven schenkbelasting wel in mindering worden gebracht (art. 7 lid 2 SW).
Om een einde te maken aan de mogelijkheid om door middel van hoge rentepercentages over erfrechtelijke vorderingen de heffing van erfbelasting te ontgaan, is in art. 9 SW bepaald dat de nalatenschap niet verder kan worden verkleind dan 6% samengestelde rente per jaar. Is een hogere rente afgesproken, dan wordt het bovenmatige deel van de rente als een fictieve verkrijging aangemerkt bij het ‘tweede’ overlijden. De auteur wijst erop dat deze bepaling slechts van toepassing is indien de rente is vastgesteld binnen de aangiftetermijn c.q. een hoge (vaste) rente is opgenomen in een testament. Wanneer de rente is afgesproken ná de aangiftetermijn, is de fictie van art. 9 SW blijkens de parlementaire toelichting bij het 2e overlijden niet van toepassing. In dat geval kan de afgesproken hoge rente dus wel volledig in mindering worden gebracht. Echter, keerzijde is dat ook art. 10 SW van toepassing is.
C.J.M. Martens, Estate Planner 2009/13 (JB)
« Terug naar overzicht nieuws



