Sdu uitgeversSdu LinkedInScherp in Notariaat twitterRSS Feed Contact Home

Nieuws


Verrekenbeding en voor-huwelijkse woning

08-03-2010

Partijen waren gehuwd buiten elke gemeenschap van goederen. Zij waren een periodiek verrekenbeding overeengekomen ten aanzien van overgespaarde inkomsten, doch dit waren zij tijdens het huwelijk niet nagekomen. De man had ten tijde van de huwelijkssluiting een woning, waarin partijen zijn gaan wonen. Die woning was niet betaald met geleend geld. Tijdens het huwelijk heeft de man een hypothecaire lening afgesloten teneinde een verbouwing van de woning te financieren. Die lening was gegoten in de vorm van een spaarhypotheek: er was een kapitaalverzekering afgesloten waarvoor de man premies betaalde. Aan het eind van de leentijd zou dan met het ingelegde vermogen alsmede met het rendement de leenschuld afbetaald kunnen worden. De Hoge Raad, 10 juli 2009, LJN BI4387, oordeelde dat de waardevermeerdering van de woning door de verbouwing voor verrekening in aanmerking komt overeenkomstig art. 1:136 BW.

Volgens annotator kraakt de Hoge Raad, amper anderhalve maand na de promotie van L.H.M. Zonnenberg, een juridisch harde noot waarover Zonnenberg in zijn dissertatie reeds uitgebreide beschouwingen heeft gegeven (hoofdstuk 6.2.). Hij zal de uitspraak – zonder meer – met instemming hebben begroet. Zoals Zonnenberg reeds stelde, zou in de uitspraak van de Hoge Raad van 25 april 2008, NJ 2008, 394, al een voorbode van de onderhavige uitspraak te lezen kunnen zijn, maar dat blijft altijd gissen. Echter, thans is de Hoge Raad ondubbelzinnig én duidelijk in zijn uitspraak: de beleggingsleer geldt ook voor zover er te verrekenen inkomsten zijn geïnvesteerd in vóórhuwelijks vermogen. Deze weg was in dit geval niet alleen geplaveid door enkele schrijvers in de literatuur, maar ook enkele A-G’s. A-G Langemeijer (bij Hoge Raad 27 januari 2006, RvdW 2006, 125) en A-G De Vries Lentsch-Kostense formuleren het volgens annotator treffend dat art. 1:133 lid 2 BW en art 1:136 lid 1 BW geen beperkingen inhouden ten aanzien van het toepassen van de beleggingsleer bij vóórhuwelijks vermogen. Dit betekent dat, nu ook in het nieuwe wetsvoorstel ter zake de huwelijksgoederengemeenschap (wetsvoorstel 28 867 en het daarin geformuleerde nieuwe art. 1:87 BW) de nominaliteitsleer door de beleggingsleer wordt verdrongen, er geen, althans onvoldoende argumenten zijn om de kennelijk als redelijk en billijk gevoelde beleggingsleer (die dus steeds meer wordt gecodificeerd) ook in deze gevallen niet toe te passen. Daarbij past nog wel de duidelijke opmerking van A-G Langemeijer dat de waardestijging van het vóórhuwelijksvermogen tot aan de datum van het huwelijk dient te worden uitgesloten. Voor de specialisten een open deur, maar wellicht goed om nog maar eens te benadrukken.

I.J. Pieters, FJR, 12, 2009, p. 351 e.v. (MK)



« Terug naar overzicht nieuws
vorige   1 2 3 4 ... 31   volgende

Gratis nieuwsbrief

Laat uw gegevens achter als u de gratis ScherpinNotariaat e-nieuwsbrief wilt ontvangen met het laatste nieuws.



Volg ons op

Scherp in Notariaat Linkedin
Scherp in Notariaat
 
Scherp in Notariaat Twitter
 

Voor Nu en Later

Uitgave rondom erven, schenken en nalaten
Editie 2012

Image2  













Poll

Als er een voorziening komt waarbij het mogelijk is om notarieel geschoold en ervaren juridisch personeel op tijdelijke basis in te lenen dan zou ik daar gebruik van maken.
Nooit 28%
1 - 5 keer p/j 44%
6 - 10 keer p/j 11%
> 10 keer p/j 15%