Volgens rechter gold hypotheekrecht niet voor juridische en taxatiekosten
25-02-2010Een woning is op verzoek van de eerste hypotheekhouder (H) onderhands verkocht als bedoeld in artikel 3:268 BW. H heeft aan notaris N een verklaring als bedoeld in artikel 3:270 lid 3 BW overgelegd waarin de vordering van H wordt gesteld op € 87.742,65. In dit bedrag is onder meer een post “Juridische en taxatiekosten” van € 3.412,77 opgenomen.
N heeft namens H de voorzieningenrechter verzocht om deze verklaring goed te keuren zoals bedoeld in artikel 3:270 lid 3 BW. In dit artikel is onder meer bepaald dat indien het goed door de eerste hypotheekhouder is geëxecuteerd en deze uiterlijk op de betaaldag aan de notaris een verklaring overlegt van hetgeen hem van de opbrengst toekomt krachtens een door een eerste hypotheek verzekerde vordering of andere vorderingen die eveneens door hypotheek zijn verzekerd en in rang onmiddellijk bij de eerste aansluiten, de notaris de eerste hypotheekhouder het hem toekomende uitkeert. De voorzieningenrechter dient de verklaring goed te keuren, nadat hem summierlijk van de juistheid ervan is gebleken.
Volgens de voorzieningenrechter blijkt uit de hypotheekakte dat H naast de hypotheeksom een bedrag aan rente en kosten tot maximaal 35% van de hypotheeksom met voorrang boven andere schuldeisers kan verhalen op de onroerende zaak. Hiermee is echter niet gegeven dat H ook aanspraak kan maken op de juridische en/of taxatiekosten. Nu niet is gebleken dat was overeengekomen dat deze kosten krachtens de hypotheek zijn verzekerd, onthoudt de voorzieningenrechter zijn goedkeuring aan de juridische en taxatiekosten. Gelet op het voorgaande keurt de voorzieningenrechter de verklaring goed tot € 84.329,88.
Vzngr. Rb. Alkmaar 18 februari 2010, nr 115694 / KV RK 09-816 (LJN BL4495)
« Terug naar overzicht nieuws



