Rapport van evaluatie ‘Wet koop onroerende zaken’ naar de Tweede Kamer
25-02-2010Op 1 september 2003 is de Wet koop onroerende zaken in werking getreden. Tijdens de plenaire behandeling van het wetsvoorstel heeft de minister van Justitie toegezegd de wet 5 jaar na haar inwerkingtreding te zullen evalueren. In verband hiermee is het Molengraaff Instituut voor Privaatrecht van de Universiteit Utrecht verzocht een evaluerend onderzoek te doen. Thans heeft de minister het onderzoeksrapport aangeboden aan de Tweede Kamer. Uit het meer dan 300 pagina’s tellende evaluatierapport maakten wij de volgende selectie.
- De invoering van het schriftelijkheidsvereiste van artikel 7:2 BW wordt door alle betrokken partijen als positief ervaren. Het bij wet stellen van minimumvereisten aan de inhoud van de akte kan een oplossing bieden voor de gesignaleerde problemen over de status van bijkomende afspraken en wijzigingen nadat de akte tot stand is gekomen en draagt bij aan het waarborgen van de kwaliteit van de akte. Verder zou het vormvoorschrift moeten worden uitgebreid. Vooreerst zou het moeten gelden zodra een particulier bij de koop is betrokken (ongeacht of dit de verkoper of de koper is en ongeacht de aard van het object), maar nog beter is dat het voor alle onroerendgoedtransacties (dus ook zakelijke) geldt.
- De invoering van de bedenktijd heeft niet geleid tot een volledige verwezenlijking van de doelstellingen die hieraan ten grondslag liggen zodat kan worden overwogen om deze te schrappen. Wordt de bedenktijd evenwel gehandhaafd, dan moet de uitzondering voor een openbare veiling ook gelden voor een onderhandse verkoop van artikel 3:268 BW.
- De regeling van de Vormerkung bevat veel onduidelijkheden die moeten worden opgelost. Daarnaast is van belang dat de wetgever in ogenschouw neemt dat de Vormerkung ook andere doelen kan dienen dan slechts het beschermen van de koper op nakoming zoals een snellere uitbetaling van gelden ná levering. Verder wordt opgemerkt dat de Vormerkung ongewenste effecten kent zoals een te vergaande doorbreking van de paritas creditorum.
- De 5%-regeling van artikel 7:768 BW biedt een goede bescherming voor de opdrachtgever maar kent een groot aantal onduidelijkheden die moeten worden opgelost. Zo bestaat er onduidelijkheid over de procedure bij uitbetaling en de rol van de notaris daarin. Ook bestaat er onduidelijkheid met betrekking tot de vraag voor wie de notaris de gelden in depot houdt. Dit is onder andere van belang voor de renteopbrengsten. Het onderzoeksteam beveelt de partijen en notarissen aan om afspraken te maken over het depotbedrag en de rente.
- Gelet op de onpartijdigheid van de notaris, zijn specifieke juridische deskundigheid en het feit dat de notaris bij de levering sowieso in beeld komt, is het wenselijk dat de notaris reeds wordt ingeschakeld in de obligatoire fase van de koopovereenkomst. Gebleken is dat makelaars, notarissen en de politiek positief zijn over de Amsterdamse praktijk.
- Ter bestrijding van vastgoedfraude moet de beëdiging van taxateurs terugkeren met een onafhankelijk tuchtrecht. Door de controles die de notaris uitvoert, kan (verplichte) inschakeling van de notaris bij de koop bijdragen aan bestrijding van vastgoedfraude.
Op de resultaten van het onderzoek en de aanbevelingen komt de minister nader terug.
Bron: TK 32320, nr 1
« Terug naar overzicht nieuws



