Wijziging van de bedrijfsopvolgingsfaciliteiten in de Successiewet per 2010
10-02-2010In dit artikel wordt ingegaan op de werking van de bedrijfsopvolgingsfaciliteiten op grond van het thans ingevoerde maar ten tijde van de publicatie van dit artikel nog wetsvoorstel tot wijziging van de Successiewet. Vervolgens worden de beperkingen en verruimingen van de faciliteiten besproken. In dit artikel zijn de voorstellen meegenomen tot en met de stemming in de Tweede Kamer op 3 november 2009.
De bedrijfsopvolgingsfaciliteiten zijn op verzoek van toepassing bij de schenking respectievelijk de erfrechtelijke verkrijging van kwalificerend ondernemingsvermogen en de schenker respectievelijk de erflater voldoet aan de bezitseis en de verkrijger voldoet aan de voortzettingseis. Tot dit kwalificerend ondernemingsvermogen behoort onder andere een gehele of gedeeltelijke onderneming in de zin van artikel 3.2 Wet IB 2001. Om aan de voortzettingseis te voldoen zal de verkrijger de onderneming rechtstreeks moeten voortzetten. Ook zijn de faciliteiten van toepassing bij de verkrijging van een gehele of gedeeltelijke medegerechtigdheid als bedoeld in artikel 3.3, eerste lid, onder a Wet IB 2001. Voor de medegerechtigdheid zullen de faciliteiten slechts gelden in het geval de erflater of schenker een eerder voor zijn rekening gedreven onderneming heeft ondergebracht in een commanditaire vennootschap en de beherende vennoot de verkrijger van deze medegerechtigdheid is of de aandeelhouder van de beherende vennoot. Op grond van deze beperking zullen de faciliteiten slechts gelden bij gefaseerde bedrijfsoverdrachten en niet langer voor bijvoorbeeld participaties in besloten scheepvaart-cv’s.
Voorts zijn de faciliteiten van toepassing in het geval de schenker respectievelijk erflater vermogensbestanddelen bezit die bij hem horen tot een aanmerkelijk belang in de zin van afdeling 4.3 Wet IB 2001, mits het lichaam waarop het belang betrekking heeft een materiële onderneming drijft in de zin van de inkomstenbelasting. De auteur neemt hierbij aan dat certificaten van aandelen gelijk worden gesteld aan aandelen. Nieuw is de mogelijkheid dat de faciliteiten tevens kunnen gelden voor onroerende zaken die ter beschikking worden gesteld aan het lichaam, waarin de erflater respectievelijk schenker een aanmerkelijk belang heeft en de verkrijger van deze onroerende zaken ook vermogensbestanddelen verkrijgt die tot dit aanmerkelijk belang behoren.
De faciliteit bestaat uit 4 delen. Voor zover de waarde van de objectieve onderneming niet meer is dan 1 mio euro bestaat recht op een voorwaardelijke vrijstelling van 100%. Indien de onderneming een hogere waarde heeft dan 1 mio euro, wordt het verschil tussen de liquidatie waarde en going-concernwaarde voorwaardelijk vrijgesteld. De vrijstelling voor het restant van het ondernemingsvermogen is 83% van de going-concernwaarde. Aan de hand van een voorbeeld licht de auteur deze regeling nader toe.
De auteur gaat vervolgens nader in op de beleggingsvermogenstoets. Ten eerste wordt het belang in lichamen geheel uitgesloten indien deze geen materiële onderneming drijven in de zin van de Wet IB of een medegerechtigdheid houden. Ten tweede wordt bij een lichaam met een materiële onderneming een deel van het beleggingsvermogen uitgesloten voor de vrijstelling.
Ten slotte licht de auteur de wijzigingen toe ten aanzien van preferente aandelen, fictief aanmerkelijk belang, ter beschikking gesteld vermogen en de verdeling van huwelijksgemeenschap of nalatenschap.
De auteur concludeert dat de regeling vereenvoudigd is door het opnemen van een voorwaardelijke vrijstelling. Voor het overige is de regeling niet eenvoudiger geworden. Bij het wetsvoorstel ontbreekt de uitvoeringsregeling en momenteel is slechts in beperkte mate bekend in hoeverre het goedkeurend beleid wordt voortgezet. De noodzaak van de verruiming van de faciliteiten is niet deugdelijk gemotiveerd. Vooralsnog bevat het wetsvoorstel nog enkele knelpunten volgens de auteur.
« Terug naar overzicht nieuws



