Renteafspraken in de nieuwe Successiewet
20-01-2010De auteurs bespreken de fiscale gevolgen van renteafspraken tussen de erfgenamen. In de nieuwe Successiewet zal een renteafspraak die is gebaseerd op een testament (met een tenzij-clausule) of de wettelijke verdeling successierechtelijk worden gevolgd indien deze is overeengekomen binnen de aangiftetermijn van art. 45 SW. Dit betekent dat geen sprake zal van een schenking (art. 1 lid 3 SW nieuw). Het maakt hierbij niet uit of de bevoegdheid in het testament alleen aan de langstlevende of aan de erfgenamen in gezamenlijk overleg is gegeven. De auteurs wijzen erop dat hiermee wordt afgeweken van het wettelijke erfrecht. Immers, op grond van art. 4:13 BW komt de bevoegdheid om een andere rente overeen te komen slechts toe aan de langstlevende ouder en de kinderen gezamenlijk. De auteurs wijzen erop dat het praktisch gezien nuttig kan zijn indien deze bevoegdheid bijvoorbeeld alleen aan de langstlevende mag worden verleend. Zeker in de situatie dat de relatie met de kinderen minder goed is, kan de erflater de langstlevende ouder hierdoor volledige keuzevrijheid geven ten aanzien van de hoogte van de rente, zonder dat de goedkeuring van de kinderen hiervoor noodzakelijk is. Voor de toepassing van art. 1 lid 3 SW is slechts vereist dat de vordering krachtens erfrecht is ontstaan. Dit betekent dat ook vorderingen die zijn ontstaan op grond van een legaat tegen inbreng van de waarde onder deze bepaling vallen. De auteurs zijn van mening dat ook vorderingen die zijn ontstaan op grond van de quasi-wettelijke verdeling hieronder vallen.
Indien de rentevaststelling bij het eerste overlijden successierechtelijk niet wordt gevolgd, bijvoorbeeld omdat deze buiten de aangiftetermijn plaatsvindt, wordt de rentevaststelling betrokken in de heffing van het schenkingsrecht (art. 1 lid 4 SW). Is een rente vastgesteld die lager is dan de rente op grond van het testament, dan wordt een schenking aangenomen van de kinderen aan de langstlevende. Wanneer een hogere rente is vastgesteld, wordt een schenking aangenomen van de langstlevende aan de kinderen. De auteurs wijzen erop dat voor de heffing van het successierecht bij het eerste overlijden de oorspronkelijke wettelijke of testamentaire rente blijft gelden. Dit betekent dat er al dan niet sprake kan zijn van een fictief vruchtgebruik bij het eerste overlijden (naast de eventuele schenking). Bij het tweede overlijden mag wel rekening worden gehouden met de civielrechtelijke overbedelingsschuld en de onderling overeengekomen rente. Het nieuw voorgestelde art. 9 SW (zie tevens ND 2009.47.3004) is bij een verkrijging krachtens schenking niet van toepassing.
Y.J.M. Nagelmaeker-Pijpers en S. Hendriks, FTV 2009/47 (JB)
« Terug naar overzicht nieuws



